Core Tri Team doet mee aan de Super League in Rotterdam

Zwemcentrum Rotterdam was op zaterdag 22 en zondag 23 augustus het podium van een spectaculair triathlonformat van de gerenommeerde Super League. ‘s Werelds beste triatleten nemen het in de Super League Triathlon Rotterdam tegen elkaar op in een race waarin de atleten zwemmen in het Olympisch zwembad, fietsen op hometrainers en hardlopen op loopbanden langs de kant. Ook Maaike, Elianne, Dominique voor de Ere Divise en Kim bij de jeugd op zondag waren van de partij. Het nieuwe format is een creatieve invulling van een corona-proof topsportevenement. Luister naar hun ervaringen

Small Talk Podcast

Meisje van 15 jaar zwom wereldrecord 200 vlinder

Ze stond er niet bij stil dat het al weer zestig jaar geleden is, een ongelooflijk wereldrecord op de 200 meter vlinderslag in Leipzig. Zij herbeleeft het allemaal weer in een groot interview (twee pagina’s) met verslaggever Jeroen Haarsma van het Noord Hollands Dagblad van 12 juni 2020.  ”Het was toentertijd ook te veel om het echt te beseffen. Heemskerk was nog maar 15 jaar toen haar naam de krantenkolommen haalde.

Small Talk Podcast

Tijdwaarneming heeft menigmaal voor onrust en discussie gezorgd bij belangrijke evenementen.

De Olympische uitslag van de 100 meter vrije slag heren in Rome 1960 is een verhaal apart geweest en dat had tot gevolg dat in de aanloop naar Tokio 1964 het Japanse Seiko werd ingeschakeld om elektronische tijdwaarneming (ET) te ontwikkelen. De boodschap was duidelijk: ieder geval twee cijfers, liefst drie achter de komma registreren. De techniek was bepalend, wanneer het menselijk oog faalde, en niet de scheidsrechter of een jury van aankomst

100 jaar NK zwemmen (smalltalk)

100 jaar Nederlandse zwemkampioenschappen. Met Jos van Kuijeren en aan tafel praten we over de Nederlandse kampioenschappen zwemmen. In 2020 zouden van 19 t/m 21 juni plaats vinden in het Rie Mastenbroek wedstrijd bad van het Zwemcentrum Rotterdam. Een geweldig décor omdat het dan 100 jaar geleden zou zijn dat er voor het eerst kampioenschappen zouden worden betwist op de internationaal geldende baanlengte van 50 meter. De gevolgen van de Coronapandemie stonden echter zoals bekend de organisatie van de NK 2020 in Rotterdam in de weg en het evenement moest worden afgelast. Nu wordt een ONK in december, tegelijk ook een EK- en OS-kwalificatietoernooi. We nemen wel een duik in de NK historie met een paar korte stops

Small Talk Podcast

In gesprek met Marcel Schouten

In gesprek met Marcel Schouten. Marcel is vast komen te zitten in Frankrijk door het Corona Virus. Hij vertelt over zijn openwater carrière. Vroeger trainde Marcel in Nederland (KNZB Eindhoven) maar heeft na een moeilijk jaar de keuze gemaakt om in Rome te gaan zwemmen. Hoe kwam hij tot die keuze en wat gaat er zo anders in Italie. Hoe kwam hij vast te zitten in Frankrijk toen het Corona Virus uitbrak. Je hoort in Small Talk

 

In gesprek met Marcel Schouten. Marcel is vast komen te zitten in Frankrijk door het Corona Virus. Hij vertelt over zijn openwater carrière. Vroeger trainde Marcel in Nederland (KNZB Eindhoven) maar heeft na een moeilijk jaar de keuze gemaakt om in Rome te gaan zwemmen. Hoe kwam hij tot die keuze en wat gaat er zo anders in Italie. Hoe kwam hij vast te zitten in Frankrijk toen het Corona Virus uitbrak. Je hoort in Small Talk

Marcel Schouten is sinds de roemrijke jaren van open water zwemmers uit de omgeving van Haarlem (denk maar aan veelvoudig wereldkampioene bij de professionals Monique Wildschut) of Wandy Kater (EK deelneemster 1989 en 1991) eindelijk weer een representant op topniveau.

Bij de EK Berlijn schreef een driekoppig ploegje bestaande uit Ferry Weertman, Sharon van Rouwendaal en Marcel Schouten. Geschiedenis omdat Nederland voor het eerst op een Europees zwemtoernooi meedeed aan het jonge onderdeel ploegenachtervolging en daar meteen het goud veroverde.

Voor Marcel Schouten was het zijn eerste medaille op een internationaal titeltoernooi. De Haarlemmer van geboorte is al enkele jaren de trainingsmaat van Ferry Weertman en trekt veel met hem op bij internationale wedstrijden. Het tweetal debuteerde in 2010 bij de EJK in Hoorn. Met bescheiden klasseringen overigens. Schouten deed in 2012 mee aan de Olympische kwalificatiewedstrijd 10 kilometer in Sétubal, waar hij als 32-ste eindigde.In 2015 maakte Marcel Schouten bij de WK in Kazan opnieuw deel uit van de Nederlandse ploeg tijdens de Team Event. Achter Duitsland werd toen een zilveren medaille behaald, gedeeld met Brazilie. In de periode daarna was hij een belangrijke trainingsmaat van Ferry Maat op weg naar diens succesvolle Olympische missie in Rio.

De ‘story’ van Marcel Schouten is mooi beschreven door Marcel Tabbers in het zwemmagazine Keerpunt:

Al wil hij het zelf niet zo zien, Marcel Schouten stapt langzaam maar zeker uit de schaduw van Ferry Weertman. De geboren Haarlemmer richt zich steeds meer op de 25 kilometer van het opnenwater zwemmen. Het hogere doel is en blijft echter het meedoen aan de 10 kilometer op de Olympische Spelen in Tokyo.

Vrienden en geen rivaliteit
Vooraf wil de 24-jarige pupil van bondscoach Marcel Wouda even duidelijk maken dat er totaal geen sprake is van rivaliteit is tussen hem en zijn trainingsmaatje Ferry Weertman. ,,Deze vraag krijg ik heel vaak en dan zeg ik altijd dat we juist vrienden zijn. We gaan heel goed met elkaar om. In de training doen we ons eigen ding, maar ook daarbuiten hebben we veel contact.”

Ferry heeft naam gemaakt
Dat de titel in Rio de Janeiro Weertman de nodige aandacht geeft, vindt Schouten meer dan terecht. ,,Ferry heeft hierdoor naam gemaakt voor zichzelf. Dat is natuurlijk allemaal heel erg duidelijk. Dat is net zo met Kromo en Heemskerk. Ik reken mezelf daarom voor het gemak tot de onzichtbare sporter die pas in beeld komt als hij gaat presteren.” Nuchter als hij is: ,,Het is nou eenmaal een gegeven; vergelijk het met een wielerploeg. Daar kan ook niet iedereen de kopman zijn. Maar deze kopman maakt mij wel al heel lang een stuk sterker.” 

Ook voor mij goed?
Ondanks het feit dat het een gegeven is, moet Schouten wel iets bekennen. ,,Ik heb Ferry altijd volop willen steunen en was er helemaal voor hem. Maar toch heb ik me wel even afgevraagd of dat ook voor mij goed zou zijn. Laat ook en vooral duidelijk zijn dat ik altijd honderd procent vertrouwen in Wouda heb gehad. Als hij zegt dat het goed is, is het ook echt juist. En het traject dat hij heeft ingezet met Ferry begon eigenlijk al na het wereldkampioenschap in Barcelona in 2013.”

We zijn er voor elkaar
De vrienden Schouten en Weertman hebben elkaar kennelijk nodig om te presteren. ,,We zijn er gewoon voor elkaar. Natuurlijk draaide het in aanloop naar Rio allemaal om Ferry. In de training moest ik daarin meewerken. Nu doen we ons eigen ding. Zo zal Ferry nooit zulke hele lange sets draaien zoals ik doe.”  En Schouten heeft gelijk. Half juni schrijft Wouda zijn langste training ooit voor een pupil: 27,2 kilometer. Starttijd: 6.30 uur. Eindtijd: 12.00 uur. ,,Vooral die tweehonderd meter uitzwemmen was echt grappig”, lacht Schouten. Ter vergelijking: Pepijn Smits en Weertman trainen die dag 8.800 meter. 

25 kilometer
Met de extreem langere afstanden tijdens de zwembadtrainingen heeft Schouten zeker een duidelijk doel voor ogen. ,,Op het wereldkampioenschap ga ik 10 en 25 kilometer zwemmen. Dat betekent dat er voor mij een andere aanpak is bedacht met andere afstanden. Deze varieren van 110, 120 tot soms wel 130 kilometer per week.” En dat de zienswijze klopt bewijst de derde plaats op de 25 kilometer vrije slag – de derde keer dat Schouten deze afstand uit zwom tijdens een officiele wedstrijd – op de Franse open in Gravelines. ,,Het vertrouwen groeit bij me. Natuurlijk mis ik Ferry in de trainingen die ik alleen moet doen. Er is voor mij een duidelijke lijn bedacht en die volg ik maar al te graag. Misschien wel zoals het door Wouda met Maarten van der Wejden in het verleden was bedacht. Die maakte ruim een jaar voor de Beijing ook gigantische omvangsblokken om vervolgens flink aan zijn snelheid te gaan werken.” 

Bron : keerpunt.com


Zwembranche publiceert protocol voor heropening zwembaden

De samenwerkende partijen in de zwembranche publiceren vandaag een Protocol Verantwoord Zwemmen dat gebruikt kan worden bij de heropening van de zwembaden. Het protocol is hier te bekijken of te downloaden. 

Het RIVM en het kabinet maakten afgelopen woensdag in een update over de maatregelen met betrekking tot het coronavirus bekend dat de binnenzwembaden vanaf 11 mei weer open mogen. Vanaf 29 april mochten de buitenbaden alweer open, alleen voor jeugd. Vanaf 11 mei is buiten sporten voor iedereen toegestaan en mogen de binnenbaden ook weer open.

Zwemmen zorgt voor plezier, veiligheid en fitheid. Met de zwembranche willen we iedereen dan ook weer zo spoedig mogelijk de gelegenheid bieden een duik te nemen in een binnen- of buitenbad. Het protocol zorgt ervoor dat iedereen weer op een veilige en verantwoorde manier kan genieten van de zwemsport. In het belang van de volksgezondheid van de zwemmers, het zwembadpersoneel en bezoekers zullen zwembadinrichtingen de maatregelen in het protocol uitvoeren en handhaven. Daarnaast is naleving van de regels voor iedereen per doelgroep noodzakelijk. Alleen op deze manier kunnen we er samen voor zorgen dat iedereen op een veilige en verantwoorde manier gebruik kan maken van de zwembaden.

OMT-adviezen – Sport

Welk effect heeft sporten, al dan niet georganiseerd en al dan niet in
teamverband onder de jeugd en/of volwassenen en welke uitgangspunten
moeten hierbij in acht worden genomen?

Welk effect heeft het openen van trainingsfaciliteiten voor de topsport en
welke uitgangspunten moeten hierbij in acht worden genomen?
Welke effect heeft de dynamische component op de verspreiding van
aerosolen bij het sporten?

OMT-adviezen:

Het OMT schat in dat het risico voor de volksgezondheid dat gepaard gaat
met het onder aanvullende voorwaarden toestaan van georganiseerde
buitensport voor de jeugd tot en met 18 jaar, beheersbaar is. Voor kinderen
tot 12 jaar is teamsport in de buitenlucht, wat trainingen betreft, mogelijk
waarbij de 1,5 meter afstand niet aangehouden hoeft te worden; tussen 12
en 18 jaar mogen jongeren eveneens trainen, maar dan met 1,5 m afstand
ertussen.

Het OMT schat in dat het risico voor de volksgezondheid, dat gepaard gaat
met het onder aanvullende voorwaarden toestaan van individuele sport,
waarbij 1,5 meter afstand in acht wordt genomen, voor topsporters,
beheersbaar is. Het OMT adviseert de koepels de voorwaarden nader uit te
werken.

Het OMT schat in dat het toestaan van georganiseerde sport voor andere
groepen of anders dan hierboven genoemd op dit moment een mogelijk risico
vormt op te snelle en te brede verspreiding van het virus en adviseert de
effecten van de voorgestelde versoepeling af te wachten alvorens
maatregelen verder af te bouwen.

Bij het sporten ontstaan soms druppelwolken en uit onderzoek d.m.v.
luchtstromen en computersimulaties blijkt dat deze druppels tot 20 meter
achter een (rennende) sporter aangetoond kunnen worden. Op theoretische
gronden zou dan een risico ontstaan voor degenen die zich in de slipstream,
vlak achter de sporter, bevinden. Bovenstaande onderzoeken zijn niet
uitgevoerd bij mensen. Onduidelijk is of het virus zich via deze
druppelwolken, vanuit mensen zonder klachten, effectief verspreidt. Dit is niet
aangetoond. Er is meer onderzoek nodig om een conclusie te trekken. Los
daarvan dienen mensen met klachten thuis te blijven.

Download complete OMT brief aan Min WVZ – Download PDF

Waarom val ik niet af als ik ga hardlopen?

Drie keer per week trek je je hardloopschoenen aan en trek je erop uit. Maar die kilo’s? Daar zit geen beweging in. Hoe kan dat?!

Hardlopen lijkt een goede manier om af te vallen – en dat is het ook. Het is een vorm van conditietraining waarbij je veel energie (calorieën) verbrandt. Het verbetert je uithoudingsvermogen en kan je helpen je vetpercentage te verlagen. Maar dat gebeurt niet altijd.

40% van de miljoenen hardlopers ter wereld, doet dit (deels) om af te vallen. Slechts 34% loopt hard voor zijn of haar plezier. 54% loopt vanuit sportieve motieven.

Als je merkt dat je ondanks je hardloopinspanningen niet afvalt, kan dat te maken hebben met een aantal dingen. We zetten ze hieronder uiteen.

1. Je verbrandt minder en eet meer dan je denkt

Hardlopen is een goede manier om calorieën te verbranden. Bij 70 kilo lichaamsgewicht verbrand je bij een snelheid van 10 kilometer per uur al 770 calorieën per uur! Maar: vertrouw niet blind op wat met name loopbanden en trackers (zeker degene zonder goede hartslagmeter) je vertellen. Vaak overschatten ze namelijk hoeveel je hebt verbrand tijdens het lopen.

Dat zou niet zo erg zijn, ware het niet dat we geneigd zijn om deze verbrande calorieën ook weer aan te vullen. Ofwel gewoon omdat je extra trek hebt gekregen van het rennen, of omdat je vindt dat je het hebt ‘verdiend’. Maar als jouw tracker aangeeft dat je 400 calorieën hebt verbrand, terwijl dit er in werkelijkheid maar 280 waren, en je beloont jezelf na het rennen met een lekkere cappucino en boterham met banaan en pindakaas à 380 calorieën.. dan heb je je harde werk – vanuit het oogpunt van gewichtsverlies – niet alleen teniet gedaan, je komt waarschijnlijk zelfs aan!

Wist je dat..

Je zelfs door alleen al te kijken naar online workout programma’s, je de neiging hebt om meer te eten dan normaal?

2. Je traint wel hard, maar niet slim

Als jouw doel niet is om een lange afstand te kunnen lopen, of om gewoon lekker in de buitenlucht te zijn, maar je echt loopt om af te vallen, dan kan je misschien beter voor een HIIT training kiezen dan voor steady state (een duurloop op één tempo)Onderzoek bewijst keer op keer dat je met HIIT trainingen sneller calorieën verbrandt dan met constante trainingen. Natuurlijk blijft het totaal aantal verbrande calorieën wel leidend: HIIT betekent vooral dat je slimmer met je tijd om kan gaan en bovendien dat je toch veel kan verbranden wanneer een 10 – 15 kilometer loop nog te hoog gegrepen is.  

3. Je wordt inactiever gedurende de dag

Uit studies blijkt dat wanneer mensen 3 tot 5 keer per week 30 à 40 minuten per dag hardlopen, ze gedurende de rest van de dag slechts 4.000 tot 5.000 stappen zetten. Terwijl dat er normaal gesproken 7.000 zijn. Daardoor verbrand je door de dag heen minder calorieën, wat de ‘winst’ die je met hardlopen hebt behaald, weer van tafel veegt.

4. Je houdt meer water vast

En water is gewicht. Hoeveel water je vasthoudt, fluctueert dagelijks afhankelijk van wat je die dag hebt gegeten, je stresslevel, en voor vrouwen ook bijvoorbeeld de menstruatiecyclus. Maar ook hardlopen is hierop van invloed. Je eet misschien meer koolhydraten, die water vasthouden, en drinkt meer doordat je dorst krijgt van het rennen. Daarnaast hebben je spieren simpelweg ook vocht nodig om te herstellen. Over een lange periode zal dit gewichtsverlies niet maskeren, maar op korte termijn kan het wel verklaren waarom je niet direct resultaat ziet.

5. Je doet nog steeds hetzelfde

Hoeveel energie je verbruikt en nodig hebt, hangt samen met je gewicht. Ben je dus al wel 5 kilo afgevallen, maar heb je sinds de start van jouw afvalpoging niets meer veranderd aan je voeding of trainingen en heb je nu een plateau bereikt? Dan zit je mogelijk niet meer in een energietekort, doordat je lichaam minder energie is gaan verbruiken nu het lichter is. Een kleine aanpassing (iets minder calorieën eten dan je deed aan het begin van je afvalpoging) zou hiervoor moeten compenseren: rigoureuze veranderingen zouden niet nodig moeten zijn.

Mythbuster: starvation mode

Je hoort mensen wel eens zeggen dat hun lichaam gewoon geen gewicht meer kwijt wil: hoeveel ze ook sporten en hoe weinig ze ook eten, de kilo’s blijven zitten. Vaak wordt hierbij de term ‘starvation mode’ genoemd. Kort gezegd bedoelen ze daar vaak mee dat hun metabolisme zo zou zijn vertraagd, dat ze niet meer kunnen afvallen.

Hoewel het een mooi excuus vormt voor iedereen bij wie ondanks schijnbare inzet het afvallen niet wil lukken, is het niet waar. Je metabolisme kan iets vertragen als je te weinig eet (en/of te veel sport), maar nooit zoveel dat je niet meer kan afvallen. Het Minnesota Starvation Experiment dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd uitgevoerd, is hier bewijs van, maar ook mensen met ernstig ondergewicht door ziekte dan wel gebrek aan voedsel laten – helaas – duidelijk zien dat als je minder energie binnenkrijgt dan je verbruikt, je af blijft vallen.

Bovendien: wist je dat een eventueel vertraagd metabolisme door een gebrek aan energie vooral komt doordat je onbewust minder gaat bewegen gedurende de dag? Je neemt minder vaak de trap, zit meer dan je staat, maakt minder kleine bewegingen. Dit kan oplopen tot honderden calorieën verschil! Dus: ga niet stilzitten als je eerder op de dag hebt hardgelopen, blijf in beweging!

Hoewel je metabolisme dus zeker iets kan vertragen als gevolg van gewichtsafname en energieinname, is starvation mode nooit een verklaring voor mislukte afvalpogingen. Wel kan je energieverbruik afnemen wanneer je weinig eet, doordat je door gebrek aan energie gedurende de dag minder actief bent en dus minder verbrandt. Maar dat betekent niet dat afvallen niet meer kan, enkel dat je misschien je energiebalans (inname en mate van beweging) moet herevalueren.

Hardlopen: goed voor conditie en energieverbranding

Aan het eind van de dag zijn wetenschappers het er nog steeds over eens dat hardlopen een goede sportieve optie is als je gewicht wilt verliezen. Bij hardlopen gebruik je namelijk veel grote spiergroepen en dat is essentieel voor het verbranden van calorieën. Maar belangrijker nog, is dat het bijna altijd makkelijker is om af te vallen door je voeding aan te passen, dan door te gaan sporten. Meer hierover lees je in dit artikel.

Multisport biedt kansen voor jonge sporters

Als je maar zoveel mogelijk traint, word je vanzelf goed in een bepaalde sport, is vaak het idee. Voor een klein aantal sporten klopt dat, maar onderzoek toont aan dat kinderen betere bewegers worden als zij (elementen van) meer sporten tegelijk beoefenen. Steeds meer sportaanbieders zetten daarom in op zogeheten ‘Multisport’. Deze aanpak richt zich op een brede motorische ontwikkeling bij jonge kinderen. We zetten de kansen op een rij.

Multisport probeert antwoord te geven op een aantal maatschappelijk trends, zoals dat kinderen steeds minder bewegen, motorisch minder fit zijn en vaker kampen met blessures. Ook trainen jeugdige sporttalenten op steeds jongere leeftijd én steeds intensiever. Van oudsher ontwikkelen kinderen bij de traditionele sporten vooral één specifieke set aan skills. Bij Multisport trainen kinderen echter een breed palet aan vaardigheden zoals balanceren, mikken, slaan of springen. Kinderen leren zo aanvullende vaardigheden aan, die hen uiteindelijk betere bewegers en sporters maken die ook minder geblesseerd zijn. En dat maakt de kans op het ontwikkelen van goede topsporters ook groter.

Sportorganisaties kunnen dit op veel verschillende manieren invullen. In dit artikel zetten we de trends op een rij, lichten we de voordelen van Multisport toe en geven we enkele voorbeelden uit de praktijk.

Zorgen over de motorische ontwikkeling van kinderen

Inzetten op Multisport is extra belangrijk als je kijkt naar de huidige trends bij kinderen in Nederland die van invloed zijn op hun ontwikkeling:

  • De huidige generatie kinderen beweegt steeds minder. Slechts 55% van de kinderen tussen 4 en 11 jaar en 28% van de kinderen tussen 12 en 18 jaar voldoet aan de Beweegrichtlijn.
  • De motorische fitheid van kinderen is minder goed ontwikkeld dan ongeveer 20 jaar geleden. Vooral het coördinatievermogen is achteruit gegaan.
  • Uit onderzoek blijkt dat kinderen die op jonge leeftijd een lage fitheid hebben, niet in staat zijn om op latere leeftijd op een vergelijkbaar niveau te scoren als hun leeftijdsgenoten die op jongere leeftijd wel goede fitheid hadden (Haga, 2009). Kortom, de achterstand die kinderen op jonge leeftijd hebben, lopen ze op latere leeftijd veelal niet meer in.
  • Kinderen hebben steeds vaker last van sportblessures. Meer dan de helft van de geblesseerde sporters die op de spoedeisende hulp komt, is in de leeftijd van 4 tot 18 jaar. In bijna 60% van de gevallen is dat door een val. En dat terwijl uit onderzoek blijkt dat letsel door vallen kan verminderen door te leren vallen.

Kinderen sporten steeds eerder, intensiever en eenzijdiger

  • Er lijkt een trend te zijn dat kinderen steeds jonger lid worden van een sportvereniging, of met een sport starten. Er ontstaat steeds meer aanbod voor peuters en kleuters. Op zich is dit natuurlijk positief, maar het risico is dat (ouders van) kinderen daardoor al vroeg voor één bepaalde sport kiezen. Deze programma’s worden vaak als een voorbereiding op een specifieke sport aangeboden. Zoals Funkey van de Hockeybond.
  • Wanneer een kind in een bepaalde sport actief is, wordt steeds vaker een beroep gedaan op hun vrije tijd. Voor sommige sporten, zoals voetbal en hockey, is het normaal om al vrij snel twee keer in de week te trainen en daarbij ook nog een wedstrijd te spelen. Door een steeds intensievere sportbeoefening blijft er weinig tijd over voor andere vormen van sport of beweging.
  • Uit cijfers van NOC*NSF blijkt bovendien dat vanaf de leeftijd van 14 jaar veel kinderen stoppen met sporten.

3 vormen van Multisport

Uit onderzoek blijkt dat het beoefenen van meerdere sporten beter is voor de motorische ontwikkeling van kinderen, dan het doen van één sport. Daarin zijn grofweg drie manieren te onderscheiden:

  1. Doen van verschillende sporten tegelijkertijd. Dus naast hockey kan een kind ook aan judo doen, of voetbal tegelijk met atletiek.
  2. Deelnemen aan een Multisportprogramma. Een kind volgt dan een programma dat een grote variatie aan bewegingsactiviteiten biedt. Al dan niet met kennismaking van verschillende sporten. Bijvoorbeeld MonkeyMoves of het voetballende speelconcept Voetjebal.
  3. Het structureel inbedden van multisportactiviteiten in de sportspecifieke training bij de eigen club. Bijvoorbeeld een potje badmintonnen als warming-up voor de volleybaltraining, waarbij je meteen aan je voetenwerk werkt. Voorbeelden hiervan zijn het Athletic Skills Model (ASM) op de sportclub.

In alle gevallen is het belangrijk dat het aanbod een bepaalde continuïteit heeft en gedurende langere tijd wordt aangeboden. Alleen dan kan een kind leren, zich ontwikkelen en zich verschillende vaardigheden eigen maken.

Om welke vaardigheden gaat het bij Multisport?

De term Multisport wordt in Nederland verschillend gebruikt. Vaak gaat het om een sport- en beweegaanbod gericht op het ontwikkelen van motorische basisvaardigheden, zoals balanceren, mikken, springen, lopen, zwaaien, klimmen, klauteren, enz. In dat aanbod kunnen ook meerdere sporten (of sportvormen) voorkomen.

Een ander voorbeeld van Multisport is het Athletic Skills Model (ASM). Daar wordt Multisport gebruikt als het gaat het over de sporten die bepaalde motorische basisvaardigheden in zich hebben, maar die niet terugkomen in de sport die een kind beoefent. Door het doen van multisport ontwikkel je jezelf dus breder. Daarnaast kan een ‘donorsport’ een mooie aanvulling zijn op jouw ‘doelsport’. Geert Savelsbergh, hoogleraar Bewegingswetenschappen VU, geeft een voorbeeld: “Voetbal helpt tennissers om hun voetenwerk te verbeteren. En door te judoën werken voetballers aan hun balans, stabiliteit, bodycontact, valtechniek en elementen als discipline en omgaan met winst en verlies.” Op Allesoversport.nl vind je een uitgebreidere uitleg van het ASM.

Voordelen van meerdere sporten op een rij

Veel olympische sporters, onder wie Dafne Schippers, hebben zich pas op relatief late leeftijd gespecialiseerd. Daardoor hebben zij veel verschillende sportervaringen opgedaan. Ook sportarts en oud-judoka Jessica Gal sprak zich eerder al uit als voorstander van het beoefenen van meerdere sporten voor kinderen. We zetten op een rij wat de voordelen zijn van het beoefenen van meerdere sporten.

Meerdere sportenEén sport
Meer plezier en meer jaren actief in de sport.Risico op verminderde motivatie door weinig variatie en daardoor minder plezier om te blijven sporten.
Wanneer je als kind goed hebt leren bewegen – dus allerlei sporten hebt gedaan – kom je later bij verschillende sporten makkelijker mee.Bij een eenzijdige motorische ontwikkeling, is het later wisselen van sport veel moeilijker.
Er zijn minder overbelastingsblessures als gevolg van te eenzijdige bewegingspatronen.Een te eenzijdige belasting van het lichaam geeft een verhoogd risico op overbelastingsblessures.
Kinderen ontwikkelen zich ook breder op persoonlijk vlak (interpersoonlijke vaardigheden, sociale vaardigheden, enz.) door verschillende beweegcontexten.
Juist het beoefenen van meerdere sporten in de jeugd kan een sporter tot grotere successen brengen.Het is niet bewezen dat vroeg specialiseren een voorwaarde is om de top te halen (met enkele sporten als uitzondering waarbij juist al op jonge leeftijd gepiekt moet worden, zoals turnen, kunstrijden en schoonspringen).
Kinderen die meerdere beweeg- of sportvaardigheden leren, ontwikkelen een brede motorische en fysieke basis, én ervaren ook succes op andere gebieden, zoals sociaal-emotioneel vlak.

Inspirerende voorbeelden

Inmiddels hebben verschillende organisaties een vorm van multisport ontwikkeld waar veel inspiratie uit te halen is. Voorbeelden zijn: SportZ (multisport voor kids), M.A.P.S (multisportprogramma uitgevoerd door Harten voor Sport), Multimove (voor kinderen in België), MonkeyMovesPlayfit, en Sport en Co.

Sommige takken van sport hebben de afgelopen tijd hun sportaanbod voor jonge kinderen aangepast op de mogelijkheden en belevingswereld van peuters en kleuters. Om hen zo voor te bereiden op het aanleren van de specifieke vaardigheden voor de sport. Voorbeelden zijn Funkey van de Hockeybond, of het commerciële Voetjebal/Panasj.

SportZ – multisport voor kids
Verschillende sportbonden voerden in 2017 samen met NOC*NSF de pilot SportZ – multisport voor kids uit, op zes plekken in Nederland. SportZ richt zich op kinderen van vijf en zes jaar. Het programma is samengesteld door een expertgroep en gebaseerd op aanbod van ongeveer tien verschillende sportbonden. Kenniscentrum Sport bracht de organisatorische randvoorwaarden in kaart. Hogeschool Windesheim wilde meer te weten te komen over de trainer-kind interactie. Het programma werd uitgevoerd op of via buitenschoolse opvang (BSO), sportbedrijven en sportverenigingen. Uitkomst van de pilot is dat een multisport aanbod kansrijk is en dat er verschillende voorwaarden zijn om het te laten slagen:

  • Een samenwerking tussen partijen zoals een sportvereniging, sportbedrijf en BSO vergroot de slagingskans en maakt het makkelijker om tot een sluitende businesscase te komen.
  • Duidelijke verwachtingen naar ouders en kinderen zijn belangrijk. Een goede communicatie over het belang van een brede motorische ontwikkeling, maar ook over wat een multisport aanbod precies inhoudt, is nodig.
  • Een vaardige trainer, met goede didactische kwaliteiten, kennis over verschillende sportvaardigheden en affiniteit met de doelgroep is belangrijk.
  • Kinderen, trainers en ouders hechten waarde aan de sportbeleving, ook al is dit programma gezien de leeftijd gericht op de fundamentele vaardigheden. Daar waar mogelijk zou er meer sportherkenbaarheid in het programma kunnen.

Volleybalvereniging WeVoc
Een goed voorbeeld van de toepassing van Multisport via SportZ is volleybalvereniging WeVoc in Westervoort. Zij gaven wekelijks een extra multisporttraining voor jeugdleden en vriendjes en vriendinnetjes, in de leeftijd van vijf tot zeven jaar. Tijdens de proef zijn ook de lokale korfbal-, tennis-, tafeltennis- en basketbalvereniging ingestapt. Het aanbod is uitgebreid naar wekelijkse multisporttrainingen voor jeugdleden van vier tot acht jaar, van alle deelnemende sportverenigingen en voor kinderen die nog geen lid zijn. Wekelijks nemen nu 25 tot 30 kinderen deel aan de sessies. Zij nemen deel onder de vlag van een schoolsportvereniging die door de gemeentelijke sportstimuleringsorganisatie is opgericht. Op bestuurlijk niveau zijn er tussen de verenigingen afspraken gemaakt voor contributieafdracht en de gemeente ondersteunt het initiatief financieel met een innovatiesubsidie sociaal domein.

Dit artikel verscheen eerder in Sport Bestuur en Management.

Prestatie op jonge leeftijd geen garantie voor de toekomst

Uitblinken op jonge leeftijd is geen garantie voor een carrière als topsporter. Gegevens uit de Britse atletiek laten zien dat maar ongeveer 10 procent van de talenten die op twaalfjarige leeftijd tot de top behoort, ook bij de senioren de top bereikt.

De zoektocht naar de Olympisch kampioenen van de toekomst gaat onverminderd door. Sportbonden investeren veel tijd en geld in het selecteren en opleiden van jonge talentvolle sporters. Er bestaat echter geen garantie dat jonge sporters die in een talentenprogramma instromen, uiteindelijk ook de wereldtop bereiken. Eerder onderzoek laat zien dat hierbij meerdere factoren een belangrijke rol spelen, zoals de steun van ouders, de lichaamsbouw en het aantal trainingsuren. Daar komt bij dat jonge sporters zich niet continu met dezelfde snelheid ontwikkelen, maar dat hun prestatieontwikkeling een grillig verloopt kent.

Wat is er al bekend?
Het is moeilijk te voorspellen welk talent uitgroeit tot een wereldtopper.
Meerdere factoren spelen een rol in de route naar de top zoals lichaamsbouw, trainingsuren en steun van ouders.

Wat is nieuw?
Hoe ouder het talent, hoe sterker het verband met de prestatie op volwassen leeftijd.

Weinig talenten bereiken echt de top
Brits onderzoek laat nu zien dat slechts één van de tien talenten die in de leeftijdscategorie <13 jaar tot de nationale top behoort, ook op volwassen leeftijd bij de top zit. Bij de leeftijdscategorieën <15 en <17 jaar stijgt dat percentage naar ongeveer 30 en 55 procent. Deze percentages bij de laatste twee categorieën iets hoger voor meisjes dan voor jongens, wat waarschijnlijk te maken heeft met het feit dat meisjes hun groeispurt op jongere leeftijd doormaken dan jongens. De onderzoekers konden deze percentages berekenen door alle prestaties die tussen 2005 en 2015 geleverd zijn in alle leeftijdscategorieën te analyseren. Dit leverde in totaal ruim 130.000 prestaties op, geleverd in negen verschillende atletiekonderdelen en verdeeld over jongens en meisjes. Wat nu? De resultaten van deze studie bevestigen eens te meer dat het bijzonder lastig is om bij hele jonge sporters in te schatten hoe goed ze uiteindelijk kunnen worden. Hoe ouder het talent, hoe beter de inschatting te maken is. Het is bij de ontwikkeling van hele jonge talenten dan ook belangrijk dat veel meer factoren dan alleen de prestatie in ogenschouw worden genomen. Hierbij valt onder meer te denken aan de ontwikkeling van mentale vaardigden en het leren leven als topsporter. Talenten puur selecteren alleen op basis van hun prestatie lijkt in ieder geval een slecht idee.

Kearney PE, Hayes PR (2018) Excelling at youth level in competitive track and field athletics is not a prerequisite for later succes. J. Sport Sci., DOI: 10.1080/02640414.2018.1465724